|
![]() |
|
| ||||||||
| Voor
welk soort afval? Oppervlakteberging is enkel geschikt voor laagactief en/of kortlevend afval. Voor deze categorie afval moet de berging gecontroleerd worden gedurende een periode van 200 tot 300 jaar. Na deze periode is de radioactiviteit in het afval vervallen tot een niveau dat het mogelijk maakt de site in alle veiligheid te hergebruiken. In 1998 opteerde de Belgische regering voor een definitieve oplossing of een oplossing die definitief kan worden voor het langetermijnbeheer van laagactief en/of kortlevend afval. Met deze beslissing koos de regering dus voor berging en wees ze langdurige opslag af. NIRAS heeft van de regering de opdracht gekregen om in die richting verder te werken en zich bij haar onderzoek te beperken tot de bestaande nucleaire zones (Mol-Dessel in de Antwerpse Kempen, Fleurus-Farciennes in de provincie Henegouwen, en de twee sites waarop de Belgische commerciële kerncentrales gevestigd zijn: Doel en Tihange) en tot de zones waar de lokale autoriteiten interesse toonden. Er zijn dus twee technische opties mogelijk voor het langetermijnbeheer van laagactief en/of kortlevend afval: oppervlakteberging en diepe berging.
Het algemene concept van oppervlakteberging Om het laagactief en/of kortlevend afval te isoleren van mens en milieu, zou een bergingsinfrastructuur ontworpen kunnen worden aan de oppervlakte of net onder de oppervlakte, op een plaats waar het mogelijk is installaties te bouwen die een voldoende integriteit bewaren gedurende minstens de controleperiode van 200 à 300 jaar.
Bij oppervlakteberging berust de veiligheid van de installatie op de opeenvolging van verschillende barrières, natuurlijke of kunstmatige, die elk een specifieke rol spelen in het kader van de langetermijnveiligheid; deze barrières dragen er elk op hun eigen manier toe bij dat het afval geïsoleerd blijft van mens en milieu. (1) Eerst worden de vaten met geconditioneerd afval per vier in een betonnen caisson geplaatst (afval afkomstig van de ontmanteling van stilgelegde nucleaire installaties kan rechtstreeks in de caisson worden geplaatst). In de caisson wordt cementmortel gegoten om de ruimtes tussen de vaten op te vullen. Hierdoor wordt een monoliet gevormd die het vervoer van het afval tot in de bergingsinstallatie en de eventuele recuperatie ervan vergemakkelijkt; deze monoliet vormt tevens een eerste barrière tussen het afval en de biosfeer. (2) De tweede barrière wordt gevormd door de betonnen modules waarin de monolieten worden gestapeld. Als de modules gevuld zijn, worden ze afgedicht met een betonnen plaat. (3) De derde barrière bestaat uit verschillende lagen die op de betonnen modules worden gelegd. De gebruikte materialen zijn ofwel natuurlijk ofwel kunstmatig. Een vegetatielaag verleent de site een natuurlijk uitzicht. (4) De berginginstallatie bevat controlegalerijen, waardoor de goede werking ervan permanent kan worden geverifieerd en men, indien nodig, tussenbeide kan komen. Een variant op het algemene concept: een halfingegraven bergingsinstallatie Iedere
bergingsinstallatie moet worden aangepast aan de kenmerken
van de ondergrond waarop ze gebouwd wordt. Op de nucleaire site van Mol-Dessel
wordt het algemene concept van oppervlakteberging (zoals hierboven geïllustreerd)
bestudeerd. Op de nucleaire site van Fleurus-Farciennes wordt daarentegen
een variant op dit concept bestudeerd. Het gaat om een bergingsinfrastructuur
die op geringe diepte wordt ingegraven (zie illustratie hiernaast).Tijdens de studies is gebleken dat de ondergrond van deze site niet stabiel genoeg was om een oppervlaktebergingsinstallatie te bouwen. Op 20 tot 30 meter diepte werd een hard gesteente gelokaliseerd dat wel voldoende stabiel is om er de funderingen van een bergingsinstallatie te bouwen. Ook in deze bergingsinstallatie is het principe van de multiveiligheidsfunctie van toepassing. Het afval wordt van de mens en het milieu geïsoleerd in monolieten (de betonnen caissons waarin de vaten met geconditioneerd afval per vier worden geplaatst en de mortel die erop wordt gegoten (1)). Deze monolieten worden met behulp van een rolbrug in een cilindrische silo gestapeld (2) (in tegenstelling tot de betonnen modules). De silo is omgeven door een waterondoorlatende muur (3). Gedurende deze handeling wordt de bergingsinstallatie overdekt om ze te beschermen tegen slechte weersomstandigheden. Als de silo gevuld is, wordt hij afgedekt met een betonnen plaat en een dekking bestaande uit verschillende waterondoorlatende lagen. Deze lagen bestaan uit natuurlijke of kunstmatige materialen. Ook bij een halfingegraven bergingsinstallatie worden controlegalerijen gebouwd (4) om de goede werking ervan permanent te kunnen verifiëren en, indien nodig, tussenbeide te komen. De rol van de lokale partnerschappen in het besluitvormingsproces Het onderzoek van NIRAS beperkt zich niet tot de technische aspecten alleen. Een langetermijnoplossing voor radioactief afval moet immers niet alleen veilig en technisch haalbaar zijn, maar ook maatschappelijk aanvaardbaar. In de loop der jaren is NIRAS er zich bewust van geworden dat de dialoog met de lokale gemeenschappen onontbeerlijk is bij de concrete uitwerking van een bergingsproject. Daarom heeft NIRAS de burger een centrale plaats toebedeeld in het kader van haar onderzoek. Om de lokale bevolking de mogelijkheid te bieden mee te werken aan de uitvoering van de studies, heeft NIRAS een open samenwerkingsstructuur uitgewerkt: het partnerschap. Dit zijn lokale structuren die, met de technische en wetenschappelijke steun van NIRAS, instaan voor de uitwerking en voorstelling van voorontwerpen van bergingsinstallaties (aan de oppervlakte of in de diepte) die zullen worden geïntegreerd in een globaal project. Dit project moet een meerwaarde bieden aan de betrokken gemeenten en op een brede consensus berusten. De doelstelling is te waarborgen dat het beheer van laagactief en/of kortlevend afval op lange termijn een economisch, sociaal en cultureel voordeel biedt voor de streek waar de bergingsinstallatie zal worden gevestigd. Vier gemeenten hebben de wens geuit deel te nemen aan het werkprogramma van NIRAS: Fleurus, Farciennes, Mol en Dessel. Drie lokale partnerschappen werden opgericht (STOLA in Dessel in 1999, MONA in Mol in 2000 en PaLoFF in Fleurus-Farciennes in 2003). Met de oprichting van deze partnerschappen heeft NIRAS geopteerd voor een stapsgewijze, omkeerbare en democratische besluitvorming. Het is de gemeenschap die zal beslissen of een berging (aan de oppervlakte of in de diepte) van laagactief en/of kortlevend afval moet plaatsvinden, waar en onder welke voorwaarden. De oprichting van een lokaal partnerschap mag geenszins beschouwd worden als een vast engagement. De betrokken gemeenten en bevolkingen blijven te allen tijde soeverein in hun beslissing om het onderzoek al dan niet voort te zetten. Het bestaan van een partnerschap betekent in geen enkel geval dat er effectief laagactief en/of kortlevend afval op het grondgebied van de gemeente zal worden geborgen. Na goedkeuring door de betrokken gemeenteraden zullen de dossiers van de lokale partnerschappen voorgesteld worden aan de federale autoriteiten. Voor meer informatie: Onze lijst met publicaties (rubriek "Beheer op lange termijn van laagactief kortlevend afval") Als een of andere term u niet helemaal duidelijk is, raadpleeg dan ons glossarium. | ||||||||
|
| ||||||||